Programmacommissie
GroenLinks is druk bezig met haar nieuwe verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamer verkiezingen in mei 2007. In dit programma wordt het nieuwe denken over de toekomst van Nederland en de wereld beschreven. Het zal positief, hoopvol en met passie spreken over de uitdagingen die ons te wachten staan. Een programmacommissie heeft de verantwoordelijkheid om te komen tot deze nieuwe inhoud. Ik ben lid van deze commissie en zal hierover regelmatig berichten. Het is een open proces waarin de input van velen welkom is, dus bezoek ook zeker regelmatig de website van de commissie, waarop ook leuke weblogs en interactieve discussies plaatsvinden. Onder "lees meer" een verslag van een bijeenkomst over Ontwikkelingssamenwerking en het Bedrijfsleven dat ik voorzat.. Bedrijfsleven en armoedebestrijding: partners of vijanden
Door: Martijn Dadema (verslag is persoonlijke interpretatie van het debat)
Naomi Klein beschreef in No Logo een wereld van multinationale ondernemingen die op zoek zijn naar de goedkoopste producten, de laagste lonen en geen oog hebben voor de mondiale armoedeproblematiek. Nationale overheden kunnen in deze race naar de bodem geen milieu- en sociale standaarden zetten en hun beleidsinvloed neemt zienderogen af. Een zwart beeld van de huidige globaliserende wereld.
De Noord-Zuid Werkgroep van GroenLinks vroeg zich af of het bedrijfsleven ook een andere, meer positieve, bijdrage kan leveren aan de bestrijding van mondiale armoede. In het kader van het Verkiezingsprogramma werd een debat georganiseerd dat werd geleid door Martijn Dadema, lid van de Programmacommissie. Inleiders van EYE (Exchange Young Executives) en SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) vonden beide dat het bedrijfsleven een belangrijke rol kan spelen.
Het bedrijfsleven biedt allereerst werkgelegenheid en economische groei. Beide zijn noodzakelijk voor de bestrijding van armoede. Bedrijven proberen ook steeds meer de grote groepen armen als klanten te zien en producten en diensten aan te bieden die voor hen bruikbaar zijn, zoals antibacteriële zeep of zeer duurzame lampen. Zelfs sommige overheidstaken worden goedkoper en beter via Publiek-Private Partnerschappen uitgevoerd, zoals de drinkwater- of energievoorziening. Een verbeterd ondernemingsklimaat is ook voor het bedrijfsleven van groot belang en hun druk kan ook leiden tot beter onderwijs, kennisontwikkeling en anticorruptie. Tenslotte zijn bedrijven soms direct betrokken bij sponsoring, zoals TNT die het Wereldvoedselprogramma ondersteunt met geld en kennis.
De randvoorwaarden waaronder deze positieve bijdrage kan worden gerealiseerd zijn echter cruciaal. In Nederland is een balans gevonden tussen markt en samenleving. De overheid zorgt bijvoorbeeld voor minimumnormen voor het milieu, het recht op vakbonden, geen kinderarbeid, en mededingingsrecht. Deze balans is internationaal nog volledig zoek. De markt is steeds verder geglobaliseerd, maar het bestuur en de regelgeving blijft achter. Internationale handels- en investeringsverdragen leggen veel beleid op aan overheden. De tegenpool, de internationale sociale- en milieuverdragen, zijn meestal veel vrijblijvender. Het aanspreken van bedrijven is ook erg lastig. Alleen overheden kunnen worden aangesproken op basis van verdragen. De nationale overheden zijn voorzichtig in de uitvoering hiervan vanwege de angst dat bedrijven vertrekken of zijn corrupt. Het multinationale bedrijfsleven heeft hierdoor vrijwel de vrije hand en drukt regelmatig het lokale bedrijfsleven uit de markt.
Om de positieve effecten van het bedrijfsleven in te kunnen zetten voor ontwikkeling en armoede bestrijding is op drie niveau’s actie noodzakelijk: 1) Internationaal, 2) Nationaal in Nederland/Europa als ontwikkelingslanden en 3) Bedrijfsleven via Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.
Op internationaal niveau moeten sociale en milieuverdragen dezelfde status krijgen als handels- en investeringsverdragen, zodat niet langer sprake is van ongelijke afdwingbaarheid. Hierdoor zijn sancties of een certificeringsysteem voor arbeidsrechten mogelijk. De European Partnership Agreements (EPA’s) moeten niet ingezet worden om via een achterdeur alsnog bepaalde wensen van de EU op het terrein van liberalisering van de markt door te voeren. Het gebruik van uitbesteding via lokale bedrijven ontslaat hen niet van een verantwoordelijkheid t.a.v. MVO.
Nationaal moet ook veel gebeuren. In Nederland en de EU dient een code of conduct te komen voor lobbyen, zoals in de Verenigde Staten, zodat duidelijk is wat mag en niet mag. Nederland en de EU moeten landen aanspreken op hun verantwoordelijkheden omtrent de sociale en milieuverdragen. In handelsmissie naar ontwikkelingslanden moet altijd nadruk worden gelegd op mensenrechten, incl. sociale rechten en milieu. In de verstrekking van subsidies, zeker die voor Ontwikkelingssamenwerking, aan het bedrijfsleven moet Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen een belangrijk toetsingscriterium te zijn. Het inkoopbeleid van overheden, zowel in Nederland als de EU, moet duurzaam zijn. In ontwikkelingslanden moet het bedrijfsleven ook kansen krijgen. Een fatsoenlijke infrastructuur moet aanwezig zijn, de bestrijding van corruptie is essentieel, lokaal krediet moet beschikbaar zijn, de capaciteit van de samenleving moet worden versterkt etc. Ontwikkelingssamenwerking kan hierin een belangrijke ondersteuning zijn. De voorziening van basisbehoeftes, zoals water en energie, kan geen volledige verantwoordelijkheid zijn van het bedrijfsleven, maar deze kunnen wel een rol spelen.
Tenslotte dient de vrijwilligheid van MVO omgezet te worden in regelgeving op hoofdlijnen. De OESO-richtlijnen bieden hiervoor goede aanknopingspunten. Het internationale bedrijfsleven zou veel transparanter moeten zijn in haar opereren en dienen dit in jaarverslagen etc. op te nemen.
Geef jouw mening!: